woensdag 1 mei 2024

(7545 woorden) HET OCEAANBESTAAN *2014-2016


 I

1

Wat rijmt verdwijnt naar de achterkant van het bestaan. De ruiter in het zadel hijgt mee met het paard – geen snelheid fabelachtig genoeg om de voorsprong, die het verleden heeft, goed te maken.

 

2

De mode liegt met het gemak van de tijd, de tijd klokt als een hongerige hen. Modellevens zijn per internet te bestellen, maar worden zelden (nooit) intact thuisbezorgd.

 

3

Laat ons (wat) liggen in de regenboog, beroofd van grofheid, beroofd van snelheid.

Laat de rover zijn schatten begraven waar het schuim van de aarde zich vermengt met het schuim van de oceaan.

O boreling, zo kwetsbaar.

 

4

Cara Colette, ik wist niet meer hoe zij heette. Cara Colette, ik wist niet waar haar te zoeken. Ik stuitte (en stuiterde) op het mensdom; hoe mij te kleden? tot wie, of tot welke instantie, mij te wenden? In mijn slaap probeerde slaap mij te verleiden; ik moest vechten om mij niet over te geven.


Meer en meer tijd verstreek, sinds ik haar uit mijn nabijheid verloor en naarmate de tijd verstreek vergrootte de afstand, die mij van haar scheidde en vergrootte de ruimte, waarin zij zich zou kunnen bevinden. Er was niet een moment van onoplettendheid waarin zij verdwenen liep; er was een gat – ik kon geen verbinding maken met de omstandigheid waarin zij er nog was. Ik wist niet meer hoe ze eruit zag, ik wist niet of ik het nog over haar had of over een opvolgster die haar inmiddels had vervangen, ik wist niet meer hoe zij heette, ik wist niet waar haar te zoeken, ik wist niet of ze er ooit geweest was.

 

5

Als de maan zich vergaloppeert, de race staakt en zich overgeeft, zich overgeeft aan het spontane verlangen de zon te kussen, voel de kleuren.


Ze wisselen uit. Onnavolgbare melodieën omringen hen; voedende vloedgolven ontvuilen, ontduffen.

o   Zoals ik aan jou laat wat van jou is, laat jij aan mij wat van mij is. Van jou de maan en de zon die elkaar kussen, van mij het gezelschap van muggen, muizen en mieren.

 

6

Van mij bedrevenheid in berekenbare modules; alles op het tafelblad volmaakt op orde.


o   Jouw ogen zijn standvastig; ze kijken, ze zien. Jouw ogen de ogen die nooit logen. Jouw ogen de ogen die mij nooit bedrogen. De kolkende poelen. De donkerste. 

Mijn ogen dralen en dwalen, even, voordat mijn oogleden hen het buitenzicht ontnemen.


o   Ik zie je staan, ik zie je staan. Breedgeschouderd en smal in de taille. Rotstrage trillingen beschermen jouw kosmische integriteit. De stilte beweegt door middel van kleuren.


Ik moet verder terug. Naar toen de zon nog open en bloot aan de hemel stond. Toen mijn ogen nog open en bloot keken en zagen, voordat ze nergens anders meer rust vonden dan in hun eigen kassen. Dit was pas nadat ze tweedimensionaal geworden waren, nog amper enig licht konden verdragen, en onder het haar mijn hoofdhuid zich gezet had in een pijnigende frons.


Had ik je gewoon moeten volgen in die droom? Vanaf de afstand van de jaren die intussen verstreken verbaast het me dat ik dit niet deed. Ik ga het proberen. Verwacht mij. Verwelkom mij. Ben mijn gids, zoals overal waar wij gaan.


Ik moet verder terug. Naar toen de zon nog open en bloot de maan kuste.


Ja allerverrukkelijkste, ik heradem dat moment. Met mijn armen om jouw brede schouders en mijn wang op jouw hoofd ga ik met je meezinken door de koudste waterlagen.

 

 

II

7

Naar de ongerepte bodem. Waar Cara Colette mijn gids is. Geliefd voorgangster; zoals ik haar ken, herken ik haar. Zij volgt de transparante kleurenvanger, ik volg haar.


Naar de ongerepte bodem. Waar individualiteiten lichtend materialiseren, wanneer ze aangehaald worden door de tijd. Naar de ongerepte bodem. Waar iedereen elkaar verstaat en elkaar onderhoudt zonder onthouding.


Naar de ongerepte bodem. Waar een naam een lied is dat opklinkt wanneer het gezongen wil worden. Naar de ongerepte bodem. Waar spiegels onbekend zijn.


Naar de ongerepte bodem. Waar ogen iedere droom ooit gedroomd in zich dragen en uitdragen in de vorm van bloemen, minuscuul als het miljoenste deel van een traan.


Naar de ongerepte bodem. Waar het kosmische plan en het individuele plan één zijn.


Naar de ongerepte bodem. Waar de stilte vol is – vol vibrerend. Geen visuele aanknopingspunten – vol vibrerend. Geen auditieve aanknopingspunten – vol vibrerend.


Naar de ongerepte bodem. Waar geen brokstukken zijn; wanneer er treurnis is – volle treurnis, wanneer er vreugde is – volle vreugde.


O op de bodem van deze oceaan kan het water in lichterlaaie staan.


Op de bodem van deze oceaan is aankomen thuiskomen – om nooit meer te verdwalen.


Op de bodem van deze oceaan houdt het gewicht dat het jouwe is je geaard en in complete openheid ben je compleet besloten in jouw eigenheid.


Op de bodem van deze oceaan breng je jouw bestemming mee om het universum te verrijken. Onvergelijkelijke rijkdom; voor iedereen alles, van iedereen alles, met iedereen alles.

 

8

o   Boogschietster boogschietster. Iedere pijl die jij schiet is raak. Perforeert de wanden van de mij bekende omstandigheden. Creëert doorkijken naar onvermoede werkelijkheden.


o   Boogschietster boogschietster. Hoe jij je pijlen ook schiet, ze blijven verbonden met de boom, zoals ook de boog, ze blijven de takken, die de boom de boom maken die de boom is.


Je zou het je voor kunnen stellen als een grote lege zaal, verlicht door het schijnsel van talloze kaarsen die buiten beeld blijven – mocht je een visuele vertaling in culturele termen willen maken van het complex van vibraties, die deze werkelijkheid tot deze werkelijkheid maken, dit voorborelingbestaan tot dit voorborelingbestaan maken, dit waterbestaan tot dit waterbestaan maken.


Op de bodem van een oceaan. Waar oker zich evengoed aan je voordoet als violet badend in kaarslicht. Waar oker zich evengoed aan je voordoet als een geluid dat naar heidebloemenhoning smaakt, je tong streelt met de vleugelslagen van honderden bijen, bijeen om de bezoekster te verwennen, je verouderde verlangens te vervangen door verse wensen.


Een baarwereld. Waar geen enkele gesteldheid een duplicaat is van de overige gesteldheden. Waar formaat en volume en gewicht buiten de maten vallen waarmee gemeten wordt – mocht je een mathematisch schema in culturele termen willen maken van het complex aan onderlinge samenhangen, die dit waterbestaan tot dit waterbestaan maken, deze bodem van een oceaan tot deze bodem van een oceaan maken.


Baarwereld baarwereld. Hoe jij je kinderen ook baart, ze blijven verbonden met de oceaan, ze blijven de druppels die dit waterbestaan tot dit waterbestaan maken, die deze oceaan tot deze oceaan maken.

 

9

Reis mee met mij die met haar meereist. De stilte vervoert. De stilte die regen is, de stilte die wind is, de stilte die sneeuw is. De stilte die sterren zijn. De stilte die vogels zijn, de stilte die bloemen zijn. De stilte die gras is. 

o   Ik zie je gaan, ik zie je gaan. Jouw ogen open, ze kijken mij aan. Jij baant de weg, jij bent de weg. De weg is vrij, de tocht is echt.


We passeren door de tunnel van de bronnen. De bronnen verkeren in een feestelijke stemming. Iedere bron lacht op een eigen wijze. Ik zal mij de tunnel van de bronnen herinneren als de tunnel van de lachende harmonie.


We passeren door de tunnel van de metaforen. Een spiraal gevormd door fladderaars, die met zo'n snelheid stijgend en dalend capriolen uithalen dat onze snelheid er in oplost. Ik zal mij de tunnel van de metaforen herinneren als de tunnel van de fladderende stilstand.


We passeren door de tunnel van de menigtes. We worden omhuld door hetgeen zich in een bos onder het grondoppervlak afspeelt. De geuren bedwelmen mij en tillen ons op en laten ons los en tillen ons op en laten ons los. Ik zal mij de tunnel van de menigtes herinneren als de tunnel van het bedwelmende verbond.


We passeren door de tunnel van de smeekbedes. De kilte die uit de monding komt verlamt mij. Zij kijkt om waar ik blijf en, bedreven als zij is mij te lezen voordat ik geschreven ben, verlegt zij de koers. Ik zal mij de tunnel van de smeekbedes herinneren als de tunnel van de dalende temperatuur.


We passeren door de tunnel van de lawines. Zij verrast mij met expressies die ik niet eerder van haar waarnam. Ik kan slechts vermoeden wat haar zo in verrukking brengt, wat niet belet dat ik volstroom met haar genot. Ik zal mij de tunnel van de lawines herinneren als de tunnel van de virtuoze extase.


We passeren door de tunnel van de filters. De filters staan onder supervisie van het koor van de ongeborenen. Het koor beoordeelt met het gehoor. Alles wat het koor bekoort wordt in de filters opgeslagen en alles wat het koor niet bekoort wordt uitgefilterd. Ik zal mij de tunnel van de filters herinneren als de tunnel van het borrelende waterlied.


We passeren door de tunnel van de insecten. Van deze tunnel zijn de bouwstenen de insecten en hun systemen, waarbinnen de onregelmatigheden even cruciaal zijn als de regelmatigheden. Wij zijn welkom noch ongewenst. Ik zal mij de tunnel van de insecten herinneren als de tunnel van de lucide bedrijvigheid.


We passeren door de tunnel van de krullen. Waar alle krullen die mens en dier ongebruikt laten zich verzamelen. Hun eeuwige vitaliteit vormt het voedselreservoir van de vegetatie van de jungles. Ik zal mij de tunnel van de krullen herinneren als de tunnel van de bruisende zachtheid.


We passeren door de tunnel van de adem. De transparante kleurenvanger is niet langer transparant en zelfs door mij waar te nemen. Niet dat het mij lukt alle opgevangen nuances direct te registreren en daarom koesterend te voelen hoe mijn zenuwen gloeien, hoe mijn bloed gloeit, hoe mijn spieren gloeien. Ik zal mij de tunnel van de adem herinneren als de tunnel van de weelderige warmte.


We passeren door de tunnel van de horizonnen. Met wadende armen en wadende benen blijf ik haar volgen. Ik geniet van de vele verlokkingen; op het voor mij juiste moment zal ik ze allemaal in haar terugvinden. Ik zal mij de tunnel van de horizonnen herinneren als de tunnel van de verdiepende rust.


We passeren door de tunnel van de rommelende rotsen. De wenteling van de zon is voor de rommelende rotsen niet de standaard; hun tijd heeft een verbond met een andere planeet. Een overweldigend voorrecht valt mij te beurt wanneer in het voorbijgaan een rots mij haar glimlach schenkt. Ik zal mij de tunnel van de rommelende rotsen herinneren als de tunnel van de reinigende relativiteit.


We passeren door de tunnel van de wolventanden. O de aandachtige toewijding waarmee de snuffelsnuiten hun verkenningsdans uitvoeren. Mag ik er trots op zijn dat wij – zowel Cara Colette als ik – de vertrouwenstest zonder enige opschudding doorstaan? Als de lichtste sneeuwvlokken dwarrelen de tanden. Ik zal mij de tunnel van de wolventanden herinneren als de tunnel van de tedere kussen.


We passeren door de tunnel van de strelende handen. Direct nadat we de tunnel van de strelende handen binnen zijn gegaan, komt de boodschap door dat dit de laatste tunnel is die wij zullen passeren. Dit is het paradijs, het voorportaal van de bestemming. Ik los op in mij. Mij lost op in haar. Haar lost op in het. Het lost op in de bodem van deze oceaan, waar het niet-herinneren compleet is.

 

10

Dank je allerverrukkelijkste. Jij, het avontuur in mijn spieren. Jij, de klop in mijn bloed. Jij, de rust in mijn zenuwen. 

o   Ik zie je staan, ik zie je staan. Breedgeschouderd en smal in de taille. Ik zie je staan, ik zie je staan, Je ogen open, ze kijken mij aan.


Jouw ogen de ogen die de bron zijn waaruit vitale krachten rijkelijk stromen. De bron die de erfgenaam en de beheerder is van het niet te ontsluiten geheim. De bron waaraan de winden zich laven; de noordenwinden, de oostenwinden, de zuidenwinden, de westenwinden. De bron waaraan mijn metazintuigen zich laven.


Jouw ogen de ogen die de metaforen beurtelings zwijgend aanhoren en geanimeerd uithoren. De metaforen in de wetenschappelijke verhandeling, de metaforen in het theologische traktaat, de metaforen in de journalistieke reportage, de metaforen in het autobiografische verslag.


Jouw ogen de ogen waarin de menigtes hun vertrouwen stellen. De tevreden menigtes en de ontevreden menigtes. De menigtes in de grotten, de menigtes op de steppen, de menigtes in de steden, de menigtes op de stranden.


Jouw ogen de ogen die de lawines van de ziektekiemen zagen. Ze zagen hoe het geweld de ziektekiemen transformeerden. Ze zagen de uitspattingen die hiervoor nodig waren. Het verderf werd opgewekt. Rivieren werden verlegd. Stormen bedaarden. Ochtenden braken open.


Jouw ogen de ogen die het zonder filters stellen. De zwarte filters. De blauwe filters. De rode filters. De gele filters. De witte filters. Ze zijn in staat van iedere manifestatie de schoonheid te zien. Ze zijn in staat van iedere manifestatie de betekenis te zien. Ze zijn in staat de ongeborenen en de geborenen in één te zien.


Jouw ogen de ogen waarin de herinneringen van de insecten hun onderkomen hebben in ruil waarvoor ze hun glans laten glanzen. De vliegende insecten, de zwemmende insecten, de kruipende insecten, de springende insecten. De zwarte insecten, de blauwe insecten, de rode insecten, de gele insecten, de witte insecten.


Jouw ogen de ogen die in één blik de inhoud kunnen samenvatten. De inhoud van alle magische formules waarmee de krullen gevuld zijn. De fluisterende krullen, die mij talloze malen hetzelfde lied als nieuw kunnen laten herhalen.


Jouw ogen de ogen die de adem zijn. De adem van aankomst, de adem van vertrek, de adem van het communicerende woord. De adem in het vuur, de adem in het water, de adem in de aarde, de adem in de lucht.


Jouw ogen de ogen die de horizonnen kennen van voor hun beginpunten tot na hun eindpunten. De horizonnen die voorbij drijven. De horizonnen die onderling verschuiven. De bewegingloze horizonnen. De zwangere horizonnen.


Jouw ogen de ogen die de bescherming genieten van de rommelende rotsen, in alle sterrenstelsels waar zij graag geziene aanwezigheden zijn. De geregistreerde rommelende rotsen en de ongeregistreerde rommelende rotsen. De geregistreerde sterrenstelsels en de ongeregistreerde sterrenstelsels.


Jouw ogen de ogen die iedere wolventand die ooit materialiseerde onderling van elkaar kan onderscheiden. De ronde, de spitse, de korte, de lange, de brede, de smalle, de scherpe, de botte, de harde, de zachte.


Jouw ogen de ogen die de strelende handen zijn waaruit vitale krachten rijkelijk stromen. De kijkende ogen, de ziende ogen. Ze kijken mij aan, ze zien mij; lachende harmonie. Ze kijken mij aan, ze zien mij; fladderende stilstand. Ze kijken mij aan, ze zien mij; bedwelmend verbond. Ze kijken mij aan, ze zien mij; virtuoze extase. Ze kijken mij aan, ze zien mij; borrelend waterlied. Ze kijken mij aan, ze zien mij; lucide bedrijvigheid. Ze kijken mij aan, ze zien mij; bruisende zachtheid. Ze kijken mij aan, ze zien mij; weelderige warmte. Ze kijken mij aan, ze zien mij; verdiepende rust. Ze kijken mij aan, ze zien mij; reinigende relativiteit. Ze kijken mij aan, ze zien mij; tedere kussen.


Jouw ogen de ogen die mij nooit bedrogen. De ogen die mij strelen strelen strelen strelen. Ik los op in mij. Mij lost op in jij. Jij lost op in het. Het lost op in de bodem van een oceaan, waar het niet-herinneren compleet is.

 

11

Nu ligt alles open. De tijd, de ruimte, het beeld, het geluid, de volgorde, de geur, de samenhangen, de affiniteiten. Het verhaal is uitgeleefd en opgenomen in de tijd, de ruimte, het beeld, het geluid, de volgorde, de geur, de samenhangen, de affiniteiten. Het verhaal heeft alle gewichtigheid verloren, is verrukkelijk licht geworden.


Ik los op in jou. Jij lost op in mij. Jou en mij lossen op in wij. Wij lost op in het. Het lost op waar de wind begint, waar de wind eindigt.


Waar de wind begint, waar de wind eindigt. Begint het verhaal, eindigt het verhaal. De breuk is definitief. Zonder inkomen ga ik vooruit. Zonder nood, zonder zaak. Eindelijk nu, niet meer gefocust op één punt. Eindelijk nu, alom. Eindelijk nu, heelal. Eindelijk nu, onverdeelde aandacht.


Ik ging met jou mee, ik zonk met jou mee. Diep in mij, diep in de koude zee. Ik zonk met jou mee, het was geen idee. Diep in mij, diep in de koude zee.

 

 

III

12

Hallo hallo hallo hallo. Luister je luister je luister je?
Ik luister.


Regendruppels in de wind. Zonnenstralen botsend op het boomblad. Lucht snurkend door jouw neusgaten. Ogen die door mijn hersenen drijven, duizenden miljoenen miljarden één.


Mijn onverdeelde aandacht. Stuitend (en stuiterend) op het alom, stuitend (en stuiterend) op het heelal. De cellen van mijn huid gaan zich te buiten aan de dans van de bedwelming; nergens een snellere en tegelijk tragere pirouette dan in het luchtledige.


Ik hoor je, ik zie je.
Met de vleugels als van een tor cirkelt zij om mij heen, vliegend in tegengestelde draaiing aan de mijne. De afstand tot mij constant. Dan vliegt zij van mij vandaan en natuurlijk natuurlijk volg ik haar. Alles in en om haar zwaait naar mij. Voor mij blijheid; een welkomszwaai. Voor haar blijheid; dat ik haar gevonden heb.


O boreling, zo kwetsbaar.


Mijn hoofd zakt in mijn ribbenkast. Daar vult de omgeving, de immense onbepaalde omgeving, zich met pijlen. Gerichte pijlen – afketsend op de grens van de bepaalde ruimte die wij om ons heen hebben. Ook zij komt in mijn ribbenkast. Als een jong vogeltje, al even uit het ei, maar nog niet in de veren.


Op mijn rug wordt het verendek dikker en dikker. Ik spreid mijn armen en met trage vleugelslag komen wij in beweging. Haar hoofd is mijn hoofd. Mijn hoofd is haar hoofd. Ons hoofd is een vogelhoofd, traag bewegend van links naar rechts naar links, in een ritmische coördinatie met onze vleugels. Iedere beweging in dienst van onze ogen. Onze ogen in dienst van onze snavel. Wij zijn een aasgier. Wij ruimen op. Met de zuiverste intenties doen wij waarvoor wij kwamen.

 

13

Hallo hallo hallo hallo. Kijk je kijk je kijk je kijk je?
Ik kijk.


Ik zie je. De kleuren van je aura nemen de kleur van je ogen over.


Ik ruik je. Het behaaglijke parfum van je warme adem kapselt mijn hoofd in.


Het oude gezicht – ouder dan de geschiedenis – raakt mij op plekken waarvan ik het bestaan in mij niet vermoedde. Als altijd past zij in mijn armen. Mijn ribbenkast scharniert open en zij vlijt zich neer op mijn ruggengraat. Haar hoofd rust op mijn borstbeen net onder mijn kin.


Ik was deze positie vergeten.
En toch, hoe vertrouwd, hoe vertrouwd. Eén van onze posities. Van diep doordringende tevredenheid. Van diep doordringende geborgenheid. Van diep doordringend gewaarworden.


Oppassen dat ik niet over de randen tuimel. Pin me vast in het midden van deze duisternis, in het midden van deze poel. Waarin ik drijf, waarin ik mij goed voel. Ja je kunt me gerust even alleen laten; ik ga nergens naar toe.


Ja dat grapje herken je. Ja dat is intiem.
Ik dein mee op de golven van haar lachen. Het water tuimelt over de randen. En het licht dat uit de golven spat verandert het zicht. En het schuim dat uit de golven spat verandert de geur.


Daar verheft zich haar oude gezicht. Als een stralende planeet stijgt het op. Als een stralende planeet staat het aan het firmament. Als een stralend vuurwerk valt het uiteen in meteorieten.


Je verwent mij, het is te veel. Je verwent mij, ik blijf niet heel. Je verwent mij, ik versnipper tot confetti.


We zetten de boel op stelten, die tot aan het hemelgewelf reiken.

 

14

Dat zwart, als het totaal van alle raven. Dat blauw, als het totaal van alle korenbloemen. Dat rood, als het totaal van alle robijnen. Dat geel, als het totaal van alle boterbloemen. Dat wit, als het totaal van alle sneeuw.


Dat zwart, als het totaal van alle pupillen. Dat blauw, als het totaal van alle turkoois. Dat rood, als het totaal van alle kersen. Dat geel, als de zon in het zenith op een heldere dag. Dat wit, als het totaal van alle moedermelk.


Dat zwart, als het totaal van alle moedervlekken. Dat blauw, als het totaal van alle vijfde chakra's. Dat rood, als het totaal van alle tongen. Dat geel, als het totaal van alle vlammetjes van het totaal van alle brandende kaarsen. Dat wit, als het totaal van alle noorderlichten.


Dat zwart, als het totaal van alle moerbeien. Dat blauw, als het totaal van alle monochrome schilderijen van Yves Klein. Dat rood, als het totaal van al het bloed dat stroomt. Dat geel, als het totaal van alle dooiers van het totaal van alle eieren. Dat wit, als het totaal van alle babytanden.

 

15

Hallo hallo hallo hallo hallo. Ruik je ruik je ruik je ruik je?
Ik ruik.


Ik ruik de tranen van het gras. Ik ruik de tranen van de vissen. Kom gras, kom bij me. Kom vis, kom bij me.


Ik ruik het snikken van de bomen. Ik ruik het snikken van de vruchten. Kom boom, kom bij me. Kom vrucht, kom bij me.


Ik ruik het kreunen van de stenen. Ik ruik het kreunen van het ijs. Kom steen, kom bij me. Kom ijs, kom bij me.


Ik ruik het verstilde zand. Ik ruik de verstilde tijd. Kom zand, kom bij me. Kom tijd, kom bij me.


Ik ruik de groeiende embryo's. Ik ruik de groeiende schelpen. Kom embryo, kom bij me. Kom schelp, kom bij me.


Ik ruik het verdreven leven. Ik ruik de verdreven dood. Kom leven, kom bij me. Kom dood, kom bij me.

 

16

De zwarte knopen schieten los. De blauwe knopen schieten los. De rode knopen schieten los. De gele knopen schieten los. De witte knopen schieten los.


De verbindingsdraden, van het ordelijke nettenwerk dat de chaos dreigde te verstikken, verslappen. De verbindingsdraden, van het ordelijke nettenwerk dat de chaos dreigde te verstikken, vallen weg.


Ik ruik de duizelingen van de chaos, wanneer de vitale materie er weer vrije circulatie krijgt. Ik zie het genot van de hernieuwde kennismakingen. Ik hoor het wilde kloppen van het hart.


Wie anders dan de verschopten zijn het beste voorbereid zich op de aarde te handhaven, wanneer de illusies terugkeren naar hun oorspronkelijke staat?

 

17

Zich onttrekkend aan iedere waarneming (op die van een enkeling na) vreeën zeven zeeën zich vrij.


Ik ruik – ik versta je allerverrukkelijkste, ik ruik – de vreugde van de oceaan. Wanneer deze zich laat gaan in een extatische dans. Uiting gevend aan een allesomvattende tevredenheid.


Het laatste wat ik zie – ik versta je allerverruk-kelijkste, ik kijk – zijn de wateren die zich gehaast richting verzamelpunt begeven.


Het laatste wat ik hoor – ik versta je allerverruk-kelijkste, ik luister – is hoe de stilte de bodem van de oceaan openbreekt.


Ik geef me over. Verdwijn in de bodem van de oceaan. Wordt opgeslokt door het oog van de draaikolk.


De opening slurpt en blijft slurpen tot de oceaan leeg is. Het water davert naar beneden, alles wat zich in het water bevindt met zich meesleurend. Tot het er aan toe is zich te keren en als de krachtigste geiser (waarin alle individualiteiten verenigd zijn) het alom te besproeien en het heelal te besproeien.

 

18

De stilte keert weer. De stilte die jouw stilte is. De stilte die onze stilte is. De stilte keert weer.

Ik rek me Allerverrukkelijkste, ik strek me, ik word weer wakker.

 

19

De oceaan is hier is daar, de oceaan is daar is hier. Op de bodem ligt de blueprint van het individuele lot, waar te nemen enkel door er mee samen te vallen. (Door overgave aan het lot blijkt het lot een gave.) Op de bodem zijn het individuele plan en het kosmische plan één. Op de bodem is de stilte vol – vol vibrerend. Op de bodem is aankomen thuiskomen – om nooit meer te verdwalen. Op de bodem houdt het gewicht dat het jouwe is je geaard en in complete openheid ben je compleet besloten in jouw eigenheid. Op de bodem breng je jouw bestemming mee, om het universum te verrijken; onvergelijkelijke rijkdom – voor iedereen alles, van iedereen alles, met iedereen alles.

 

 

IV

20

De tot as vergane geheimen worden uitgestrooid.

Verlaat je op je voorraad. Mits je er gedisciplineerd en gedoseerd mee omgaat, kun je daar even mee vooruit.

Laat haar weer tot rust komen, de bron. Laat haar weer tot helder komen. Fris. Al naar gelang haar stemming klaterend of stromend.

 

21

In een cocon begint het, in een cocon eindigt het. Gesponnen uit geheugendraden gedrenkt in de geur van gedegenereerde generaties. Die zijn reëel, gedegene-reerde generaties. Ze rekenden niet af, ze rekenen niet af – ze pakten, ze pakken. Ze vroegen niet, ze vragen niet – ze pakten, ze pakken. Ze zagen het dier niet, ze zien het dier niet – ze vraten, ze vreten.

 

22

O deze wateren. Fris. Al naar gelang hun stemming klaterend, stromend. Meebewegen. Stormen ondergaan, stormen doorstaan, stormen verstaan. Droogtes ondergaan, droogtes doorstaan, droogtes verstaan. Zwijgen, luisteren, verstaan. Dommelen. Doof voor het lawaai van de gillende geesten.

Laat ze gillen, die letters in het alfabet van de tijd en van de plaats.

Focussen op het onderzoek, op het bovenzoek, op het binnenzoek, op het buitenzoek. En terug en weer en dan als nieuw nog een keer. In alle rust – uit eigener beweging. Focusen op het onderhoud, op het bovenhoud, op het binnenhoud, op het buitenhoud. En terug en weer en dan als nieuw nog een keer. In alle rust – uit eigener beweging. Focusen op het.

Het kan talloze pagina's vullen. Het kan talloze boeken vullen. Het kan talloze bibliotheken vullen. Het kan de stilte vullen.

o   Het kan mij vullen. Het kan jou vullen.

 

23

o   Integer als de regen. Bekorend als de regen. Rustgevend als de regen. Gehoorstrelend als de regen. Geurend als de regen. Transporterend als de regen. Aanwezig als de regen. Onderhoudend als de regen. Communicatief als de regen.

Jij bent als de regen. Jij vervangt de geen-regen.

o   Communicatief als de regen. Onderhoudend als de regen. Aanwezig als de regen. Transporterend als de regen. Geurend als de regen. Gehoorstrelend als de regen. Rustgevend als de regen. Bekorend als de regen. Integer als de regen.

 

24

Jij kwam en bracht mij jouw liefde, mijn liefde, de liefde – jij kwam en bracht mij het paradijs. Jij komt en brengt mij jouw liefde, mijn liefde, de liefde – jij komt en brengt mij het paradijs.

 

25

De kracht om krom karma recht te leven. Bracht jij. Breng jij.

De ervaring losgescheurd te zijn; niet verbonden te zijn, met iets anders of iemand anders. De ervaring immens te zijn; zo immens, dat niets anders of niemand anders voldoende hechtkracht hebben om zich aan mij te hechten of om mij aan zich te hechten. Het buiten van het immense binnen is een lege donkergrijze dimensie, waarin het andere en de ander aanwezig zijn door hun afwezigheid.

Donkergrijs leven kleur geven. De kracht die hiervoor nodig is. Bracht jij. Breng jij.

 

26

o   Ik lees jouw zijn dat mijn zijn leest. Vertrouw op jou. Vertrouw op de kracht. Die jij bracht. Die jij brengt.


Rekeningen en rekenschappen. Laat de stemmen uitspreken, ook al verspreken ze zich. Kijk hoe ze achterom kijken, over de linkerschouder een schichtige blik werpen. Dan stilstaan en zich frontaal omdraaien. Om er dan plezier in te krijgen, in dit halfduister de schimmen te herkennen.


Treuren en talmen zijn geleden tijd. Van toen nog en toen nog en toen nog. Nee, tegen de tentakels van geverniste bezweringen. En nee, tegen de tentakels van geveinsde nostalgie.


Primaire omstandigheden kunnen niet afgeschoven worden – op niemand, op niets. Wat hetzelfde is als: primaire omstandigheden kunnen afgeschoven worden – op niemand, op niets. Ik schuif ze af, mijn primaire omstandigheden – op niemand, op niets. Quo vadis? Regelrecht naar het rondepunt. Waar de zeven zeeën samenstromen.

o   Jij komt. En brengt mij. De kracht om in te zien, dat krom karma een drogidee is. Stevig in jouw schoonheid schommel ik tussen de sterren – krijg een duwtje hier, krijg een duwtje daar. Met jou op mijn schoot ben ik klein, ben ik groot. En ook de stemmingen van de sterren krijgen een duwtje hier, krijgen een duwtje daar – worden bestemd en bestemmen. Bij jou op je rug schommel ik hoog, schommel ik terug. 


Reken niet op iets in mij. Ik zal de schuifelende rij niet versterken. Enkel mijn allerverrukkelijkste zal getuige zijn van het kreunen dat aan mijn keel ontsnapt. Na een duwtje zo. En na een duwtje zo. Of na een duwtje zo.

 

27

Het vertrouwde vervoersmiddel uitgerangeerd, de falende rails ontmanteld, het spoor uitgewist. Een stoet van ikken die van elkaar zouden schrikken, zouden ze zich verzamelen op het overwoekerde perron. Waar ooit aankomst en vertrek elkaar afwisselden en waar nu de luidruchtigheid die hiermee gepaard ging vervangen is door een zinderende stilte. Ah altijd deze zon, altijd deze zon.


o   Jij helderste heldin, jij jijer jijst. Jij helderste heldin, jijst in mijst, ikst in joust, elkaarst in onst, elkaarst in wijst. Vrij vrijer vrijst, romig romiger romigst, wah wah wah. Welke zuil onder het bouwwerk kan verruild worden?

 Zuilen zullen overeind staan. En pas vergaan als de eeuwigheid vergaat.

 

28

Edele edele boreling je hebt het recht, je bent niet krom.


Bereid te komen, bereid te gaan, met lome ledematen – laten we (wat) praten.

Over graden en hoeken, wat van al het mogelijke mogelijk blijkt, over de bestemdheid.

Deelbare materie, aanzitten aan de tafel, het deel verorberen.

Edele edele edelvrouw je hebt het recht, ik ben jou trouw.

Fatalisten vergissen zich; het licht springt op roze, het licht springt op paars – laten we (wat) wandelen.

Helpende voeten maken de wandeling licht, rozer de avond, paarser de nacht.

Intercontinentale rondedans, wat van al het mogelijke mogelijkst blijkt – laten we (wat) dansen.

Kom kom kom mijn allerverrukkelijkste.

Het gezicht van de angst groeit met de dag jonger, met de nacht levendiger. Laten we het tentdoek keren, een frisse binnentent, een frisse buitentent – laten we (wat) rusten.

Mocht de tocht mij inhalen, ik zal mij weren. Jouw oog, het liefdesoog.

Nevels trekken op, de zomernevel, de herfstnevel, de winternevel, de lentenevel; het jaar zal helder zien.

Alle orakels open, alle maskers op een hoop. Ik los op in jou, jij lost op in mij, jou en mij lossen op in wij, wij lost op in het.

Het lost op waar de wind eindigt.

Het lost op waar de wind begint.

Professionele pijlen missen het doelvoelen – laten we (wat) spelen.

Quadrofonisch luisteren, quadrofonisch horen; de breuk is compleet, de stilte navenant. Razend het bloed, razend het bloed, razend het bloed.

Tevreden met reden – laten we (wat) slapen.

Uithuilen, de tranen van roze datum die het bouwmateriaal zijn van ondoordringbare bunkers, en uitspugen, de tranen van paarse datum waarin het vergif een bergplaats vond – laten we (wat) zingen.

Verder, tevreden zonder reden, groot onthaal.

Wegen werken tegen; ondergaan, doorstaan, verstaan – laten we (wat) meebewegen.


Aan bredere cirkels doet een fenomenale griet haar interne jojo kopjeduikelen.

Laat mij niet overmoedig proberen regelstreng te uilen ver weg met de uil.

Laten we (wat) zitten in de hitte, de pijn van het als boreling verstoten te zijn (wat) uitzweten, (wat) vergeten.

 

29

De aarde is opgezwollen door het vocht. Het is warm, wel 25 graden. Warmer nog in de zon. Die hoog staat en schijnt. Die de weinige bladeren die nog aan de bomen hangen verlicht. De nuance groen laat zijn die ze zijn. Een weelderig beeld, waarin de schraalheid die eigen is aan deze streek tot haar recht komt. Het waait. De wind versterkt de stilte. De bruine en oranje bladeren laten krakend los. Zweven en vallen op de aarde. Die opgezollen is door het vocht.

 

30

Mijn vlees – levend en gezond – raakte los van mijn botten. Het leefde door – ongezond. Het zijn de botten die de zon opvangen. Eén iemand – ja jij aller-verrukkelijkste – (o verwennerij!) die resoneert. Met de boreling. De bijna botloze innigste. Het diepste eigene, dat (ja, inzicht!) niet aangetast kan worden, niet kan veraardsen, geen aardeaard kan verwerven.

o   De boreling is van de kosmos en de boreling blijft van de kosmos. Onze communicatie was van de kosmos en onze communicatie is van de kosmos.

Jij kosmische zon.


De partituur van het individuele lot, de partituur van de veraardsing, de muziek van het kosmische plan. De partituur die in onzichtbare inkt genoteerd staat. De partituur die geen enkele mode volgt. De boreling wordt er innigst door bewogen en stemt het instrument, om deze partituur te kunnen uitvoeren. Het afstemmen (op de bestemming!) kan decennia in beslag nemen. De muziek, of enkel het stemmen, klinkt. De muziek, of enkel het stemmen, wordt gehoord of niet gehoord.

o   Jouw oren die nooit logen hoorden het stemmen en (o eindelijk!) het stemmen werd voltooid. Jouw oren die nooit liegen horen mijn partituur en laten mijn oren horen. Jij in mijn nabijheid en mijn botten klinken helder; klinken zoals de regen doet klinken, klinken zoals de wind doet klinken. Jij in mijn nabijheid en mijn vlees klinkt zonder vrees; klinkt zoals de regen doet klinken, klinkt zoals de wind doet klinken. Jij in mijn nabijheid en mijn hersenen klinken melodieus; klinken zoals de regen doet klinken, klinken zoals de wind doet klinken.

Jij kosmische zon.

 

 

V

31

Ik ben een dobberend bootje op de rivier van mijn inadem uitadem. Ademstroom in, ademstoot uit. De ademwegen verbinden mijn binnen met mijn buiten, mijn lijf met mijn leven, mijn verrukkelijke Cara Colette met mij.


Het beeld is donker tot zwart. Her geluid is een zachte ruis. De innerlijke pupil knippert naar de onbepaald-heid. Zonder beaming, zonder verwijt. Het beeld is donker tot zwart. In het diepst van de ruis is er het gekakel van halfgevormde ongeborenen. De trein van de tijd is vetrokken.


De trein van de tijd zal doorrijden en bij het eindpunt rechtsomkeer maken.


Ademstoot in, ademstroom uit. De kuil lijkt een makkie, maar voor ik beneden ben, is het zand aan het schuiven gegaan. De wanden blijken de wanden niet en de bodem blijkt de bodem niet. Even heeft de hondin bovenmatig lol; haar bulderende lach bereikt mij, overspoelt mij, sleept mij mee.


De val is compleet, de aarde opent zich. Het zwarte vierkant vibreert. De oost-west getijden en de noord-zuid getijden kabbelen hun lome dans in een onnavolgbare harmonie. De horizonnen kantelen en kantelen in de middenberm van een met cultuur geplaveide snelweg. Gulzige gezichten. Ogen met irissen als het gebroken hart van een granaatappel. Kleuren verschieten. Het dondert. Aanrollende golven spatten uiteen op terugtrekkende watermassa's. Rotsen, zandstranden, eilanden. Jaren verstrijken. Talloze momenten verbinden zich in onnavolgbare structuren. Ah het geluk te mogen wonen in deze tekens!


Ook in een vreemd land met vreemde gebouwen hou ik van jou. Ook in een vreemde kamer met vreemde bedden hou ik van jou. Ook in een vreemde wereld met vreemde lichamen hou ik van jou.


Ademstroom in, ademstoot uit. Ogen open en oren open. Natuurlijk neus open ook. En ook alle supra-waarneemtuigen. Natuurlijk tot ik ben open. Het beeld is bronsachtig groenig. Het geluid is bronsachtig groenig. Warme camoeflage. Neon vierkanten en neon driehoeken verschijnen en verdwijnen als vuurwerk in de nachtlucht. Verrukkelijke concentratie, verrukkelijke balans. Natuurlijk zijn de gedachten van Cara Colette, als altijd, een heldere stroom die stroomt en stroomt en stroomt.

o   Ik registreer jouw aanwezigheid in al het levende dat ik waarneem. Voedzame trillingen, vol vreugde, die communiceren en communiceren. Natuurlijk de bron, de kosmische zon, de bron.

 

32

Dobberend door een anoniem landschap, waarop de veranderende weersomstandigheden geen vat hebben. Regen en dan geen regen en dan regen en dan geen regen.


Waar de tijden hun cycli zijn, zijn materie en metamaterie getrouwd in een gelukkig verbond – avontuur en passie, rust en communicatie. Waar de ruimtes hun ritmes zijn, verzorgen zij met niet aflatende toewijding alles wat aan hun zorgen is toevertrouwd – bouwen op, breken af en bloed stroomt bloed stroomt. Waar de doden hun natuur zijn, viert het leven feest – schijnt met de zon, ruist met de regen, nevelt met de mist en waait waait waait met de wind. Flitsende bliksemschichten vernietigen de droomster en vernietigen de droom.


Eeuwig de elegantie van alle levensvormen, eeuwig het mysterie, eeuwig de magie. Eeuwig de elegantie van alle doodsvormen, eeuwig het mysterie, eeuwig de magie.


De maten lopen vol. Wee de furies van de fossielen. Wee de furies van de tijden en de ruimtes. Wee de furies van het water, de lucht en de aarde.


Jij trekt er in jouw eentje op uit in de donkere stad. Het kan ook een dorp zijn, of een ongedefinieerd buitengebied. Laag bij de grond volg jij de sporen van jouw lot. Traceert wat er over is van de botten van jouw voorouders. Een edele missie, want noodzakelijk om jou samen te laten vallen met jouw ultieme vorm. Een abstractie, die 1% te beschrijven is, 1% uit te tekenen en 100% te ervaren.


Vertraag, zodat jouw dagen en jij met wederzijdse instemming elkaar herkennen, elkaar dragen, elkaar verwennen.


Ik ben een getallenconstructie, in de magische betekenis. Ah het geluk te mogen wonen in de wonderlijke werelden van de werkelijkheid! De werelden van de waarneemtuigen – de instrumenten van de zinnen; om zin te krijgen in de werelden van de insecten, in de werelden van de grassen en de andere werelden ook, natuurlijk. De werelden van de supra-waarneemtuigen – de instrumenten van de beleving; om de zin te ervaren van de werelden van de trillingen, van de werelden van de communicaties en de andere werelden ook, natuurlijk.


Ga ik door het leven, of gaat het leven door mij?

Jij gaat door de wereld en het leven gaat door jou.

Door jou (die meer dan ik mij bent) hoef ik niet de derwisjdans te doen om te ervaren dat ik een stipje levensstof ben dat door het universum wervelt.

Er is stof, zolang er leven is.

o   De wetenschap dat jij en ik kunnen verdwalen – zoals er in de verhalen van anderen verdwaald wordt. De wetenschap dat patronen komen en gaan. Wat is de juiste balans om een bodemloos bootje drijvend te houden?

Zie het zwarte vierkant, zie wat erin beweegt. Hoor hoe de woorden elkaar aantrekken. Voel hoe de woorden elkaar loslaten. Geluk straalt.

o   In het zwart ontwaar ik het stof dat dwarrelt in de onbepaaldheid. En in dat stof besta ik.


Naar de bodem van jouw oceaan hoef je maar één keer te gaan.

o   Gezocht en dan bezocht. De ik (die ik zegt) opgedrecht; een uit lucht gehouwen boegbeeld. De ik (die ik zwijgt) onbedreigd; een uit wolk gevlochten vlieger, een met wind geplaveide snelweg.

Naar de oevers van jouw bestaan hoef je maar één keer te gaan.

o   De binnenoevers en de buitenoevers. Gezocht en dan bezocht. De ik (die ik hallucineert) blijvend ontwricht door het continue nu-bericht. De ik (die ik hallucineer) verzwaart en verlicht.

Voorbij de oevers van je bestaan hoef je maar één keer te gaan.

o   De ik (die ik is) ademt ik in jij – in de aarde, in de wind, in het water. De ik (die jij is) ademt jij in wij – in de aarde, in de wind, in het water. De ik (die wij is) ademt in, ademt uit – en het bootje dobbert, het bootje dobbert.

Zie het zwarte vierkant, zie wat erin beweegt. Hoor hoe de woorden elkaar aantrekken. Voel hoe de woorden elkaar loslaten. Geluk straalt.

Het is het gouden gezicht waarin ik oplos.

Het is de liefdevolle ademhaling van de dood.

Het zijn de oudste beelden die zich verjongen en verjongen.

Het is verrukkelijk samenkomen met datgene dat nooit een gezicht zal hebben.


Door Cara Colette (die meer dan ik mij is) kan ik bestaan waar het geluid van de stilte een naam heeft die enkel door haar gezongen kan worden.

 

33

In de kamer van de stamvader is het meubilair schaars geworden. Ontspannen in de enig achtergebleven stoel is hij spraakzamer dan hij ooit was, met meer interesse voor zijn directe omgeving dan hij ooit toonde. Wat een contrast met de geluiden uit de rest van het huis. Het manvolk dat overactief ongerichte projectielen afvuurt. Het vrouwvolk dat zenuwachtig betrokkenheid ziet waar er geen is. De dreumesen die doordreunen, de voegen van tegenspoed ploegen. Breedbeeldtelevisie – jawel. HD resolutie – jawel. Bluetooth – jawel.


Mijn dagelijkse brood en mijn nachtelijkse brood. Het mes dat fileert tot op het bot. Heeft cyberland seizoenen waar ik mij op dien te kleden? Is het er ooit bloedjeheet? Is het er ooit botjekoud? Er zijn dagen waarop dagbeelden domineren en dagen waarop nachtbeelden domineren, zoals er nachten zijn waarin nachtbeelden domineren en nachten waarin dagbeelden domineren.


De glijbaan staat in de olie; smerig zul je worden, of je nu naar boven klimt of naar beneden roetsjt.


Drakenkoppen veranderen in drakenstaarten. Is niet iedereen ooit in het verkeerde verhaal terechtgekomen? Kom dochters, kom bij mama. Kom zonen, kom bij mama. Wacht niet tot de zon en de maan samenvallen, wacht niet tot de horizonnen zich verenigen, wacht niet tot de insecten stil vallen en de oceanen droog leggen. Wacht niet dochter, kom bij mama. Wacht niet zoon, kom bij mama.


Waterdragers dragen waters naar de zee, de wijde zee.

o   Letterdreggers dreggen letters uit de zee, de diepe zee. Brengen de adem van de hondin mee.

Ademdragers dragen adems. Bewegen mee op de maat van de zee, de warme zee.


Een zee vol aangelijnde rode haringen, die het verhaal die kant opslepen en die kant en die kant. En dat is het verhaal: een kluwe lijnen van aangelijnde rode haringen, met hier een begin en daar een einde en hier een einde en daar een begin. De uitgestrektheid van de zee lijkt enorm. De dieptes geme ten met precisieinstrumenten – gevangen in getallen; de haring nooit dieper zwemmend dan de lijn toelaat.


Ik lig op koers, en dit een geluk dat ik niet onderschat, maar een dichte mist ontneemt mij ieder vergezicht. De waargenomen en de niet waargenomen aanwezigheden, al naar gelang de momenten en al naar gelang de signalen. De geregistreerde en de ongeregistreerde aanwezigheden, al naar gelang de momenten en al naar gelang de culturen.


De vuilnisbelt van de psyche van de westers-geciviliseerde mensheid, de vuilvliezen die de dieptes afsluiten – de spiegelvliezen. De tijdexploitatie, de ruimteëxploitatie. Staan jullie daar blanco te zijn, staan wij hier samen te zijn – begrijpen jullie wat ik bedoel? Hoor het snuifgeluid van de neuzen van de grasgrazende koeien – begrijpen jullie wat ik bedoel?


O de schoonheid van de koe, het varken, de kip. O de draagwijdte. De voorbereidingen zijn getroffen. Aan de horizon van verleden en toekomst hebben ze elkaar herkend, het juiste moment en het juiste signaal, het juiste moment en de juiste cultuur.


De kalkmuren zijn vochtig, water en witsel zijn met amateuristisch enthousiasme aangebracht. Hoewel het voelt als een kamer is het een buitenlokatie. Wat de kamer doet met de bewoner, wat de bewoner doet met de kamer. Honger honger. De moordende maaghonger van de westersgeciviliseerde mensheid. De steriliserende produktiehonger van de westersgeciviliseerde mensheid. Het bloed en het zaad. Het vuilvlies van het vespilde bloed, dat de diepte afsluit. Het vuilvlies van het verspilde zaad, dat de diepte afsluit. En dan is daar dat veld met die vogels. Wat het gras doet met de vogel, wat de vogel doet met het gras. Wat de vogel doet met de wind, wat de wind doet met de vogel. Wat het flatgebouw doet met de bewoner, wat de bewoner doet met het flatgebouw. De dreumesen die doordreunen, de voegen van voorspoed ploegen. Inademend uitademend – jawel. Indansend uitdansend – jawel. Uithalend inhalend – jawel.


De wetenschap dat de bodem een hongerige spons is, te week voor een stevig fundament. Bloeddorst, bloedhonger, waterzucht. Darmen, nieren, lever. Kennen wij onze orgaanfuncties? Kennen wij onze zinnenfuncties? Voedsel vol vreugde, voedsel vol verdriet. Drakenstaarten veranderen in pornosterretjes. Is niet iedereen ooit verkeerd in een verhaal terechtgekomen? Verdwaal niet dochters, kom bij mama. Verdwaal niet zonen, kom bij mama. Kom dochter, met jouw van ver gehaalde verhaal. Kom zoon, met jouw van ver gehaalde verhaal. Kom bij mama, en vertel.

 

34

Zoals enkel jij kunt, aai me aai me aai me,
o   zodat de kier open gaat en dicht. Mijn hoofd wordt licht en adem stroomt adem stroomt.

De ochtend omhelst mij met haar koele adem. En met haar zee van geuren, waarmee ze mij optilt en neervlijt aan de overvloedlijn. En dan is daar dat veld met die vogels. Bij het leven ben ik al bezig gras te worden. Iedere spriet kijkt mij aan. De ogen van het universum.
De ogen van jou, mijn allerverrukkelijkste Cara Colette.


De wortels, de toppen. Het wroeten, het wiegen. In de aarde, op de wind. Op het water, in de lucht. En dan is daar dat veld met die vogels. Een wirwar van grasrassen, ieder op een eigen manier reagerend op de winterse omstandigheden.


Zon en dan geen zon en dan zon en dan geen zon – het bootje dobbert, het bootje dobbert. Regen en dan geen regen en dan regen en dan geen regen – het bootje dobbert, het bootje dobbert. Mist en dan geen mist en dan mist en dan geen mist – het bootje dobbert, het bootje dobbert. Wind en dan geen wind en dan wind en dan geen wind – het bootje dobbert, het bootje dobbert.


2 opmerkingen: