Alle vruchten smaken als vrucht, iedere klok klinkt als een klok – Cara Colette smaakt als alle vruchten, Cara Colette klinkt als iedere klok. Alle broers ruiken als broer, iedere zus voelt als een zus – Cara Colette ruikt als alle broers, Cara Colette voelt als iedere zus.
–
Ik ben een boeketstruik. In mijn ontelbare bloemen dansen ontelbare insecten hun feestelijke dansen, in mijn ontelbare bloemen vindt de regen rust.
–
Verdient een dorp een naam, wanneer hoop er geen plaats heeft? Verdient een dorp een naam, wanneer wanhoop er geen plaats heeft?
–
De elementaire orde kan niet verstoord worden. Niet door hen, niet door ons, niet door hem, niet door haar, niet door jou, niet door mij. Ik ben getraind door Cara Colette. Mijn orde is elementair en kan niet verstoord worden. Niet door hen, niet door ons, niet door hem, niet door haar, niet door jou, niet door mij. Cara Colette glimlacht en ik glimlach, terwijl ik dit beweer. Onder mijn hersenpan golven grijze massa's, van rechts (het westen) naar links (het oosten). Eenmaal buiten loop ik naar het zuiden. Op de vlakke omgeploegde akker zie ik het onder de grond verdwijnen. Het is rond, het is wit. Het beweegt niet op eigen kracht; het wordt bewogen. Door hen, door ons, door hem, door haar, door jou, door mij.
–
Formidabel is Cara Colette. Ik nodig je uit in de taalzaal op een tijdstip dat jou schikt. Cara Colette zal er zijn, ik zal er zijn. Kom met één woord, kom met duizenden woorden. Formidabel is Cara Colette. Je mag je taal uitspreken, maar het hoeft niet; Cara Colette zal je verstaan, ik zal je verstaan. Bij ons is je verhaal veilig; wij zijn geen hamsteraars. Op onze feesttafel zal niets achterblijven; wij willen bekoord worden door jou die gehoord wil worden. En als wij na afloop achterover leunen, zal onze verzadiging volmaakt zijn. Die van jou, die van mij, die van Cara Colette.
–
Zoals gember grillig groeit. In ruimte, in tijd. Voedsel voor zintuig, voedsel voor orgaan. Kom bij me, omhels me. Met zachte kracht. Ren voor me uit. Zoals gember grillig groeit. In tijd, in ruimte. Vol kleur, vol geur. Mythische landschappen, mythische bouwsels. Wij zijn voor het geluk geboren. Iedere dag een dag vol ervaringen. In ruimte, in tijd. Zoals mijn lichamen wind zijn, is jouw schoot de schotel van overvloed. Blijf bij me, omhels me. Vandaag een dag die we traag gaan. In tijd, in ruimte. Een herderstasje vangt ons. Hi ha hi ha. Wij zijn voor het geluk geboren.
–
Zoals de idylle grillig groeit. Mogelijkheden te over: baden bij maanlicht, naakt door de ochtendmist, het loeien van de jakhalzen beantwoorden, de stilte beantwoorden. Dan een moment verwijlen op een plek waar de herten samen kwamen. Een vers hoevenpatroon in de klei; hier is heftig gesteigerd bij maanlicht. Om verder te lopen en je voeten het spoor te zien kiezen dat eerder het solohert koos. Hoef voet hoef voet hoef. Zoals de idylle grillig groeit. De zonbol schemert door de mist. De aarde ademt zwaar – zwetend. Mogelijkheden te over: autonoom aanraken en aangeraakt worden, autonoom danken en bedankt worden, balanceren op de tussenvormen, verslag doen, glimwormen groeten, voor iemand een thuis zijn.
–
Het is een rechte gang of het kan een tunnel zijn, aan het einde ervan weet ik Cara Colette. Het is een afgrond of het kan een bron zijn, op de bodem ervan weet ik Cara Colette. Het is een werkkamer of het kan een slaapkamer zijn. Ik lig op de hitte, als een fakir op een spijkerbed. Zweet dampt van mijn lijf. Onder mijn hersenpan golven grijze massa's, van voor (het noorden) naar achter (het zuiden). Eenmaal buiten kruipend door het bos komen de liefdesberichten op me af gevlogen – radiërende schoonheid. Een geur die mij gisteren treurig trof verbluft mij vandaag. De stem van een kikker maakt mij duidelijker wat duidelijk was.
–
Een lila lelie – liefde. De planten in mij weten het. De beesten in mij weten het. Een lila luipaard – liefde.
–
Het mosmoment. In ruimte, in tijd. Maagdelijke ogen – zonder bescherming. Het veld besneeuwd; groene gras-golven met witte koppen en zwarte molsbergen met witte toppen. De routine van de toegewijde – communicatie. Een grote zwarte stip voorop, fladderend krijsend. Zeven kleine zwarte stippen volgend, krijsend fladderend. De lucht strak grijs. Maagdelijke oren – zonder bescherming. In tijd, in ruimte. Het moedermoment.
–
Nooit berooid. Nooit teleurgesteld. Verzameld samen. Het deel als geheel.
Ik ken ons hard – doorzichtig. Al degenen die ons is.
o Nooit berooid. Mijn reserve is wij. Hard gekend – doorzichtig. En vertrouwd.
Ik ken ons zacht – doorzichtig. Al degenen die ons is.
o Nooit teleurgesteld. Onze reserve is ik. Zacht gekend – doorzichtig. En vertrouwd.
Nooit berooid. Nooit teleurgesteld. Verzameld samen. Een geheel uit gehelen.
–
Maat in de herhaling van de aanraking. Maat in de dagelijkse rekenschap van het schattenschap. De ogen die geen poorten zijn – maar liefde. Het gras dat geen voetpad is – maar liefde. De wonderwereld van de extase. Onnadrukkelijk onopvallend geïntegreerd. Ik ga met jou mee en jij gaat met mij mee. Over een vers spoor. Bij jouw tussenstoppen wacht ik op jou, zonder mij te vervelen. Bij mijn tussenstoppen wacht jij op mij, zonder je te vervelen. Samen komen wij aan, daar vertrouw ik op. Het feest zal voortduren, daar vertrouw ik op.
–
In de wind ontmoeten hout en vuur elkaar. In de dood ontmoeten levende en liefde elkaar.
Meld je bij loket Q. Bewaar de glimlach die je daar en dan ervaart; het is jouw ware glimlach, die de hoofdhuid los maakt en soepel over je schedel legt.
Vandaag bezocht ik de stille grond waarin geen menselijke resten ooit rust vonden. Ik meldde mij hier en nu en mijn naam klonk als mijn ware naam.
–
De tijd, de ruimte, het ritme. De hitte breekt; de spijkers van het fakirbed dringen diep in mijn vlees dat zich gastvrij opent. Nergens ben ik liever dan hier. De getallen, de ruimte, de tijd. Het volle nu dat mij voller vult, naarmate de ik die geconditioneerd werd leger wordt.
–
Vang een wind, met je linkerhand. Vang een eendagsvlieg, met je rechterhand. Vang een gedachte, met beide handen.
De jaren dat ik dit gebied bewandel. De trajecten, de geuren, de snelheid. De verse sporen van hert X, van hert Y. De verse sporen van zegge X, van zegge Y.
Het hert neemt waar, wat jij niet waarneemt. Dat het hert jou mag gidsen. De zegge neemt waar, wat jij niet waarneemt. Dat de zegge jou mag gidsen.
–
Met een opgeraapte narcis in mijn hand waad ik van oever naar oever, speurend of het water van het meer ook mijn gestalte reflecteert. Nauwgezet, geconcentreerd. Sneeuw maakt de nacht lichter, de dag lichter, de stilte stiller. Ik speel met Cara Colette, hier waar binnen buiten is en buiten binnen. Nauwgezet, geconcentreerd.
–
Een verfrissende regenbui. Lui lig ik te luisteren – liefde. Ik beweeg op de eeuwige muziek van Cara Colette. Twee vitale manifestaties samen manifesterend. Geen grotere koestering. De combinaties, de tijden, de ruimtes. De trajecten, de geuren, de snelheid.
–
Ultra was het. Ik hield het mysterie in mijn armen, het ademde nog geen vierentwintig uur. Ik zong en het was toen, dat mijn adem door de aardkorst brak. Sindsdien ben ik als willekeurig welke boom die gestaag groeit.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten