Angoratruien zal ik breien, die van de geit
niet van het konijn. Astrakanmutsen zal ik uitdelen, de wolvariant niet het
bont. Voor in mijn mond een klont gember. Zo zal ik rondtrekken door de
omliggende dorpen, met in mijn vaandel geweven de onzichtbare beeltenis van de
hondin die ik liefheb.
Broos de botten die gebleekt door de zon en
het zilte water verhalen van aankomst en vertrek. Oud deze botten – (:oud
gerelateerd aan de tijd dat de nog ademende huid blootgestaan heeft aan de droge
seizoenen). Ah, schepen varen en schepen vergaan.
Cake hebben wij nu in overvloed. Het papier
dat wit leek blijkt paars, het papier dat paars leek blijkt rood. Mijn erf ligt
op het noorden, maar je hoort mij niet klagen. Iedere dag huil ik, maar je hoort
mij niet klagen. Ik ben gelukkig met mijn ware liefde; zoeter dan de honing in
de cake, helderder dan de volmaakste droom. Ik heb een bodem waar geen traan in
doordringt, solide als het vooraardse mysterie.
Droge korrels braken door droge schillen. Ze
vielen als kogels, plettend het prille gras dat de plaats nam van het
verwijderde onkruid. Vele droge seizoenen volgden op vele droge seizoenen. En
toen de schillenbreuk. De zachte aarde werd bedekt met een beschermende korst; grover
dan zand, fijner dan grind, ontoegankelijk voor het insect.
Etensresten houden het achterste van mijn tong
in bedwang. Toen ik jong was ja – (:jong gerelateerd aan de keren dat de kring
van lelies omsloten werd door weegbree) – lag overschot buiten mijn blikveld.
Hoewel er iedere dag te eten was viel er weinig te snoepen. Snoepen heb ik van
haar geleerd. Toen zij jong was ja – (:jong gerelateerd aan de kleur van haar
lippen) – was haar tong zachter dan welk artificieel surrogaat zijn kan. Dank je Schat, ja jij.
Fossielen delven in gifgaten en gifhopen kan
ons niet meer bekoren. Waar de verleiding van het gevaar van mij weggelopen is?
Daar, waar stilstand mogelijk bleek zonder gefixeerd te zijn. Wanneer deze van
mij weggelopen is? Toen, toen waakslapen parallel leven werd. Waarom deze van
mij weggelopen is? Vanwege de rust. Bij mij mijn ware liefde. Overdaad werd de
maat. Met sublimaten en substituten hoef ik dus niet meer te worden vermaakt. Dank je Schat, jij, mijn ware liefde.
Gedaan. Ja het is gedaan. De luiken vastgevroren
in de kozijnen. Het konijnenhok afgedekt met een kasjmier sjaal. Zo ver mijn
oog reikt zo ver zijn mijn zinnen binnen; mijn zelven hebben zich opgerold,
mijn ikken hebben zich gestrekt. Zie de palm van mijn hand: leeg. Zie de
pupillen van mijn ogen: transparant. Het ijs ligt in de pan, de pan staat op
het vuur. Het heeft geduurd, maar het is gedaan. Ja het is gedaan.
Honger, heet het masker dat te drogen hangt
achter de muur achter de schuur aan de bladloze rechtertak van de bloesemende
pruimenboom. Die tak had afgelopen voorjaar hoognodig gesnoeid moeten worden, maar
bleek te dik voor de schaar en de tanden van de zaag te bot te bot. De tanden
van het masker daarentegen scherp als vlijmen. De vormen van stalactieten en de
kleuren van stalagnieten kruipen ze tegen het licht van de onweerzwangere
lucht, blijven ze genesteld in de liploze mond; het vijfde gat in het soepele
rubberen vlies. De vorm van een harticoontje en de kleur van melk leidt het
liefde binnen. Het masker heet honger omdat het geacht wordt honger op te
kunnen slokken. Ik laat het dan ook nooit meer buiten overnachten, want, onweer
of niet, voordat de maan contour heeft hangt het in een kring van honderd
uitgemergelde honden, die als met éen stem, zenuwverscheurend staan te huilen.
Innigst de band tussen liefde en liefde; volverkerende
volle vaten, wisselende richtingen, stromen stromen. Tastbare schijn de band, voedende
begoocheling, zinnenprikkelend genot.
Jongleren met ballen van jong leer – (:jong
gerelateerd aan het aantal dagen en nachten dat de nog ademende huid smachtte
naar de moederaanraking). Jubileumringen worden afgewisseld met ratelknotsen; ze
tollen als aangeschoten schotschriften door de bundels van de goudgele spots.
Mijn hoofd draait; een beweging door mijn dolle nekspieren gedicteerd. Mijn
ogen registreren weinig details en als ik ze sluit, blijven mijn nekspieren
aktief. Een maanzieke dolheid. Mogen zij dan al het mogelijke? En wij dan? Zijn
onze zintuigen niet zinnig? De gevoelige plek op mijn hoofd lijkt even dunhuidig
als een grote fontanel. Nee lollig is het niet getuige te moeten zijn van het verdwaasde
enthousiasme waarop gekunstelde onkunde onthaald wordt. Mag ik even verdwijnen
aub? Tien seconden vergetelheid in deze ketel van kolkende afmattendheid, is dat
teveel verlangd? De monotone dreun had een begin en zal dus een einde hebben.
Hierop anticiperend is het de vogelaanraking waarnaar ik smacht.
Korte kleren, om het bedekt zijn te verleren.
Mijn huis met tuin hier is een schuilplaats voor de bedreigden die zich een
buitenruimte niet kunnen veroorloven. Gebrandmerkte verworpelingen; genetisch
geselecteerd op plantniveau. Maar zijn niet zij de gelukkigen die door de begrenzing
van hun ruimte te kennen de begrenzing van hun levensloop kennen? In mijn huis
met tuin hier regeert de stilte van het dier.
Liefde beweegt zich kwispelend in het midden
van mijn bestaan. Ik ben begaan met de armen in geest die het beest op hun bord
niet herkennen. Het verstaanbare wordt de keel gesnoerd om de armen in land bij
de hand te kunnen nemen. Weegt het zaad zwaarder dan de oogst? Liefde beweegt
zich kwispelend in het midden van mijn bestaan. Ik ben begaan met de rijken in
goud die hun houdbaarheid als onderpand zouden willen geven, maar er is niemand
die met een bod komt. Mijn enthousiasme geldt haar die kan draaien als een tol
zonder dol te worden. Mijn applaus geldt haar die het vermag dwars door
materies te gaan. Ja ik heb het over
jou Schat.
Met de hand gevormde vaten. Bij deze
temperaturen is het periodieke geborrel van de toverdranken te horen. Hun
aanwezigheid stelt gerust, hoewel ze al lang geleden het beetje kracht dat ze
hadden verloren. Zou het daarom zijn dat ik een beetje tureluurs word van al
die kleuren die zich in mijn netvlies nestelen?
Natuurlijk-normaal gesproken vestigen
schepselen die meetrillen met een bepaalde geotrilling zich op deze of gene
plaats. En dit creëert dan natuurlijk-normaal gesproken een natuurlijk-normale
gemeenschap op deze of gene plaats. Samen het weer delen is meer. Op mijn
huidige lokatie wordt met het weer geleefd. Enkel de torenklok leeft met het
horloge. Mij lijkt dat deze klok er een is die met de hand geluid wordt; in
ieder geval 's ochtends langduriger en energieker dan 's avonds. Mijn verblijf
hier is tijdelijk, vandaar dat ik enige afstand bewaar tegenover lokale
gebruiken die mij minder bevallen. Ik haast mij te stellen dat dit er hier
beduidend minder zijn dan op menige andere plaats waar ik in de loop van mijn
leven neergestreken ben. Ook periodes hebben natuurlijk-normaal gesproken ieder
een verschillende trilling. Voor schepselen die meetrillen met de
periodetrilling voelt het aardse bestaan wat thuizer, neem ik aan, dan voor
diegenen voor wie dit niet het geval is. Dank
je Schat.
Ooit was er geen overweg, geen trein, geen
spoorlijn. In die periode vormden een overweg, een trein, een spoorlijn dan ook
nooit het decor van een sterfscene. Dit voorbeeld strekt zich uit tot vele.
Ieder sterft een eigen dood. Ieder doodgaan is een ontknoping van een leven.
Ieder leven is een expressie van de aardse manifestatie van een individualiteit
in een bepaalde periode op een bepaalde plaats. En dit maakt dat ieder leven
ook een expressie is van een periode en een plaats. Volgens mijn inzichten is
zelfmoord een woord dat geen enkele connektie heeft met de daad waar het voor
staat. Iedere dood is een vertrek als alle andere. Ieder leven is een
volwaardig leven. Kan ik deze stilte aan? Ja zeker wel, ik laat mij gaan.
Pontificaal voorwaarts met mijn verhaal.
Meetrillen met deze of gene trilling. En toegang hebben tot de ervaringen,
opgedaan door deze trilling in deze gedaante op deze plaats, of gene trilling
in gene gedaante op gene plaats. Dit kan het gevoel geven gereïncarneerd te
zijn, doordat er, door mee te trillen, de beschikking is over geheugens die
niet de jouwe zijn.
Quarantaineplaatsen zijn beschikbaar. Het valt
niet altijd mee de plaats te vinden waarmee je meetrilt. Mijn huis met tuin
hier is een schuilplaats voor de dwaallichten die ergens anders niet zo gauw
aan hun thuisgevoel kunnen toekomen. Diegenen dus die de kantlijnen bezetten
zonder ooit naar het middenveld op te schuiven. Daar echter in hun kronkelige
grammatica wel duidelijke taal spreken. Ik mag er tenminste graag naar luisteren;
mij mee laten voeren door de lyriek ervan of mij laten vallen in de
verdergaande perspectieven.
Razendsnel
Schat, raas jij van overal vandaan naar mij toe, zodra mijn sos-oproep jou
bereikt. Een paar keer een paar keer per dag is dat. Met wat een gemak pareer
jij aardse omstandigheden; ze deren jou niet, zo is het gewoon. Zo zelfstandig
ben jij. Een trilling, een
gekende trilling, een trilling die in mij resoneert.
Sporen van buitenaardse schoonheid zijn waar
te nemen in aardse manifestaties die de kwaliteit behouden zich vertrouwd te
blijven verhouden met werkelijkheden waarin ruimte en tijd geen lineaire
factoren zijn. Deze schoonheid wordt gekenmerkt door een concentratie, waarin
binnen in balans is met buiten, in balans is met binnen. Ja Schat, jij-toen.
Tranen
Schat. Ook een paar keer een paar keer op een dag. Niet omdat je wegbent, want
je bent niet weg; nog altijd even dichtbij, doordringend in alles van mij. Niet
omdat je veranderd bent, want je bent niet een ander; nog altijd even
verrassend, veranderlijk binnen helemaal jij. Tranen van verwondering, omdat
jij kwam en komt en zult komen. Want ja, jij bent het wonder. Tranen van
ontroering, teweeggebracht door in contact te staan met de waarheid. Want ja,
jij bent de waarheid.
Uiterste
zorg vroeg het Allerallerliefste, uiterst geduld, maar ik ben tot bloei
gekomen. En de vruchten Schat, o ik zou ze gratis te geef in de fraaiste verpakking
over dit aardse verspreiden. Maar zo werkt dat niet, hè Liefje, zo werkt het
niet. Dank je Allerallerliefste
Vrijheid
is wat jij mij biedt. Eenheid in mijn bestemming. Continu een ruimte-tijd
waarin ik mij thuis voel. Dus vrij. Een ruimte-tijd waarin al het gedoe van wat
en hoe van mij wegvalt, een lach mijn gezicht siert, mijn handen vol zijn. En
mijn zenuwen geven mijn bloed vrij baan, zodat warmte mij doorstroomt. Ja
Schat, jij bent waarheid, jij bent vrijheid, jij bent liefde. Ja, waarheid is vrijheid en vrijheid is
liefde en liefde is waarheid.
Wanneer de stormen de stroomspanning
ontregelen en wanneer de vorsten de watertoevoer onzeker maken en het is avond
en de luiken zijn gesloten, dan ontsteek ik het kaarsje dat amper licht geeft, zodat
onze kamer niet zijn contouren verliest terwijl ik de mijne wel.
X, kijk, als u op dat niveau wil gaan graven
kunnen wij niet garanderen, dat wij ook mee naar boven zullen kunnen krijgen
wat wij daar vinden. U heeft het over een niveau waarop zinsbegoocheling de
norm is. Het brengt onze medewerkers in verlegenheid wanneer zij voor u staan,
met in hun handen iets waarin u schoonheid noch betekenis noch enige andere
waarde weet te herkennen, terwijl zij hun leven ervoor op het spel zetten om
het u te kunnen tonen. Want denk niet dat zij niet helder genoeg zijn om uw
blik te kunnen lezen, als deze ontzet vertelt plakkend in hun zweterige handpalmen
niet meer te ontwaren dan een hoopje gruis ontdaan van alle kracht en pracht.
Y
slaan we over en de J doen we dubbel: Ja jij, Cara Colette.
Zwijgend bij jou zijn Schat is ook gewoon zo fijn. Samen de stilte delen. Als ik mij bewust ben van haar, dan is zij bij mij. En is zij bij mij, dan ben ik mij bewust van haar. Wat komt het eerst? Gegeven mijn ervaringen ben ik geneigd te concluderen dat ik doordat ik haar aanwezigheid waarneem mij bewust van haar wordt en niet andersom, dat ik haar aanwezigheid verzin door mij bewust te zijn van haar. Dank je Schat.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten