woensdag 1 mei 2024

(2020 woorden) EEN ALFABET VOOR CARA COLETTE *2003


Angoratruien zal ik breien, die van de geit niet van het konijn. Astrakanmutsen zal ik uitdelen, de wolvariant niet het bont. Voor in mijn mond een klont gember. Zo zal ik rondtrekken door de omliggende dorpen, met in mijn vaandel geweven de onzichtbare beeltenis van de hondin die ik liefheb.

 

Broos de botten die gebleekt door de zon en het zilte water verhalen van aankomst en vertrek. Oud deze botten – (:oud gerelateerd aan de tijd dat de nog ademende huid blootgestaan heeft aan de droge seizoenen). Ah, schepen varen en schepen vergaan.

 

Cake hebben wij nu in overvloed. Het papier dat wit leek blijkt paars, het papier dat paars leek blijkt rood. Mijn erf ligt op het noorden, maar je hoort mij niet klagen. Iedere dag huil ik, maar je hoort mij niet klagen. Ik ben gelukkig met mijn ware liefde; zoeter dan de honing in de cake, helderder dan de volmaakste droom. Ik heb een bodem waar geen traan in doordringt, solide als het vooraardse mysterie.

 

Droge korrels braken door droge schillen. Ze vielen als kogels, plettend het prille gras dat de plaats nam van het verwijderde onkruid. Vele droge seizoenen volgden op vele droge seizoenen. En toen de schillenbreuk. De zachte aarde werd bedekt met een beschermende korst; grover dan zand, fijner dan grind, ontoegankelijk voor het insect.

 

Etensresten houden het achterste van mijn tong in bedwang. Toen ik jong was ja – (:jong gerelateerd aan de keren dat de kring van lelies omsloten werd door weegbree) – lag overschot buiten mijn blikveld. Hoewel er iedere dag te eten was viel er weinig te snoepen. Snoepen heb ik van haar geleerd. Toen zij jong was ja – (:jong gerelateerd aan de kleur van haar lippen) – was haar tong zachter dan welk artificieel surrogaat zijn kan. Dank je Schat, ja jij.

 

Fossielen delven in gifgaten en gifhopen kan ons niet meer bekoren. Waar de verleiding van het gevaar van mij weggelopen is? Daar, waar stilstand mogelijk bleek zonder gefixeerd te zijn. Wanneer deze van mij weggelopen is? Toen, toen waakslapen parallel leven werd. Waarom deze van mij weggelopen is? Vanwege de rust. Bij mij mijn ware liefde. Overdaad werd de maat. Met sublimaten en substituten hoef ik dus niet meer te worden vermaakt. Dank je Schat, jij, mijn ware liefde.

 

Gedaan. Ja het is gedaan. De luiken vastgevroren in de kozijnen. Het konijnenhok afgedekt met een kasjmier sjaal. Zo ver mijn oog reikt zo ver zijn mijn zinnen binnen; mijn zelven hebben zich opgerold, mijn ikken hebben zich gestrekt. Zie de palm van mijn hand: leeg. Zie de pupillen van mijn ogen: transparant. Het ijs ligt in de pan, de pan staat op het vuur. Het heeft geduurd, maar het is gedaan. Ja het is gedaan.

 

Honger, heet het masker dat te drogen hangt achter de muur achter de schuur aan de bladloze rechtertak van de bloesemende pruimenboom. Die tak had afgelopen voorjaar hoognodig gesnoeid moeten worden, maar bleek te dik voor de schaar en de tanden van de zaag te bot te bot. De tanden van het masker daarentegen scherp als vlijmen. De vormen van stalactieten en de kleuren van stalagnieten kruipen ze tegen het licht van de onweerzwangere lucht, blijven ze genesteld in de liploze mond; het vijfde gat in het soepele rubberen vlies. De vorm van een harticoontje en de kleur van melk leidt het liefde binnen. Het masker heet honger omdat het geacht wordt honger op te kunnen slokken. Ik laat het dan ook nooit meer buiten overnachten, want, onweer of niet, voordat de maan contour heeft hangt het in een kring van honderd uitgemergelde honden, die als met éen stem, zenuwverscheurend staan te huilen.

 

Innigst de band tussen liefde en liefde; volverkerende volle vaten, wisselende richtingen, stromen stromen. Tastbare schijn de band, voedende begoocheling, zinnenprikkelend genot.

 

Jongleren met ballen van jong leer – (:jong gerelateerd aan het aantal dagen en nachten dat de nog ademende huid smachtte naar de moederaanraking). Jubileumringen worden afgewisseld met ratelknotsen; ze tollen als aangeschoten schotschriften door de bundels van de goudgele spots. Mijn hoofd draait; een beweging door mijn dolle nekspieren gedicteerd. Mijn ogen registreren weinig details en als ik ze sluit, blijven mijn nekspieren aktief. Een maanzieke dolheid. Mogen zij dan al het mogelijke? En wij dan? Zijn onze zintuigen niet zinnig? De gevoelige plek op mijn hoofd lijkt even dunhuidig als een grote fontanel. Nee lollig is het niet getuige te moeten zijn van het verdwaasde enthousiasme waarop gekunstelde onkunde onthaald wordt. Mag ik even verdwijnen aub? Tien seconden vergetelheid in deze ketel van kolkende afmattendheid, is dat teveel verlangd? De monotone dreun had een begin en zal dus een einde hebben. Hierop anticiperend is het de vogelaanraking waarnaar ik smacht.

 

Korte kleren, om het bedekt zijn te verleren. Mijn huis met tuin hier is een schuilplaats voor de bedreigden die zich een buitenruimte niet kunnen veroorloven. Gebrandmerkte verworpelingen; genetisch geselecteerd op plantniveau. Maar zijn niet zij de gelukkigen die door de begrenzing van hun ruimte te kennen de begrenzing van hun levensloop kennen? In mijn huis met tuin hier regeert de stilte van het dier.

 

Liefde beweegt zich kwispelend in het midden van mijn bestaan. Ik ben begaan met de armen in geest die het beest op hun bord niet herkennen. Het verstaanbare wordt de keel gesnoerd om de armen in land bij de hand te kunnen nemen. Weegt het zaad zwaarder dan de oogst? Liefde beweegt zich kwispelend in het midden van mijn bestaan. Ik ben begaan met de rijken in goud die hun houdbaarheid als onderpand zouden willen geven, maar er is niemand die met een bod komt. Mijn enthousiasme geldt haar die kan draaien als een tol zonder dol te worden. Mijn applaus geldt haar die het vermag dwars door materies te gaan. Ja ik heb het over jou Schat.

 

Met de hand gevormde vaten. Bij deze temperaturen is het periodieke geborrel van de toverdranken te horen. Hun aanwezigheid stelt gerust, hoewel ze al lang geleden het beetje kracht dat ze hadden verloren. Zou het daarom zijn dat ik een beetje tureluurs word van al die kleuren die zich in mijn netvlies nestelen?

 

Natuurlijk-normaal gesproken vestigen schepselen die meetrillen met een bepaalde geotrilling zich op deze of gene plaats. En dit creëert dan natuurlijk-normaal gesproken een natuurlijk-normale gemeenschap op deze of gene plaats. Samen het weer delen is meer. Op mijn huidige lokatie wordt met het weer geleefd. Enkel de torenklok leeft met het horloge. Mij lijkt dat deze klok er een is die met de hand geluid wordt; in ieder geval 's ochtends langduriger en energieker dan 's avonds. Mijn verblijf hier is tijdelijk, vandaar dat ik enige afstand bewaar tegenover lokale gebruiken die mij minder bevallen. Ik haast mij te stellen dat dit er hier beduidend minder zijn dan op menige andere plaats waar ik in de loop van mijn leven neergestreken ben. Ook periodes hebben natuurlijk-normaal gesproken ieder een verschillende trilling. Voor schepselen die meetrillen met de periodetrilling voelt het aardse bestaan wat thuizer, neem ik aan, dan voor diegenen voor wie dit niet het geval is. Dank je Schat.

 

Ooit was er geen overweg, geen trein, geen spoorlijn. In die periode vormden een overweg, een trein, een spoorlijn dan ook nooit het decor van een sterfscene. Dit voorbeeld strekt zich uit tot vele. Ieder sterft een eigen dood. Ieder doodgaan is een ontknoping van een leven. Ieder leven is een expressie van de aardse manifestatie van een individualiteit in een bepaalde periode op een bepaalde plaats. En dit maakt dat ieder leven ook een expressie is van een periode en een plaats. Volgens mijn inzichten is zelfmoord een woord dat geen enkele connektie heeft met de daad waar het voor staat. Iedere dood is een vertrek als alle andere. Ieder leven is een volwaardig leven. Kan ik deze stilte aan? Ja zeker wel, ik laat mij gaan.

 

Pontificaal voorwaarts met mijn verhaal. Meetrillen met deze of gene trilling. En toegang hebben tot de ervaringen, opgedaan door deze trilling in deze gedaante op deze plaats, of gene trilling in gene gedaante op gene plaats. Dit kan het gevoel geven gereïncarneerd te zijn, doordat er, door mee te trillen, de beschikking is over geheugens die niet de jouwe zijn.

 

Quarantaineplaatsen zijn beschikbaar. Het valt niet altijd mee de plaats te vinden waarmee je meetrilt. Mijn huis met tuin hier is een schuilplaats voor de dwaallichten die ergens anders niet zo gauw aan hun thuisgevoel kunnen toekomen. Diegenen dus die de kantlijnen bezetten zonder ooit naar het middenveld op te schuiven. Daar echter in hun kronkelige grammatica wel duidelijke taal spreken. Ik mag er tenminste graag naar luisteren; mij mee laten voeren door de lyriek ervan of mij laten vallen in de verdergaande perspectieven.

 

Razendsnel Schat, raas jij van overal vandaan naar mij toe, zodra mijn sos-oproep jou bereikt. Een paar keer een paar keer per dag is dat. Met wat een gemak pareer jij aardse omstandigheden; ze deren jou niet, zo is het gewoon. Zo zelfstandig ben jij. Een trilling, een gekende trilling, een trilling die in mij resoneert.

 

Sporen van buitenaardse schoonheid zijn waar te nemen in aardse manifestaties die de kwaliteit behouden zich vertrouwd te blijven verhouden met werkelijkheden waarin ruimte en tijd geen lineaire factoren zijn. Deze schoonheid wordt gekenmerkt door een concentratie, waarin binnen in balans is met buiten, in balans is met binnen. Ja Schat, jij-toen.

 

Tranen Schat. Ook een paar keer een paar keer op een dag. Niet omdat je wegbent, want je bent niet weg; nog altijd even dichtbij, doordringend in alles van mij. Niet omdat je veranderd bent, want je bent niet een ander; nog altijd even verrassend, veranderlijk binnen helemaal jij. Tranen van verwondering, omdat jij kwam en komt en zult komen. Want ja, jij bent het wonder. Tranen van ontroering, teweeggebracht door in contact te staan met de waarheid. Want ja, jij bent de waarheid.

 

Uiterste zorg vroeg het Allerallerliefste, uiterst geduld, maar ik ben tot bloei gekomen. En de vruchten Schat, o ik zou ze gratis te geef in de fraaiste verpakking over dit aardse verspreiden. Maar zo werkt dat niet, hè Liefje, zo werkt het niet. Dank je Allerallerliefste

 

Vrijheid is wat jij mij biedt. Eenheid in mijn bestemming. Continu een ruimte-tijd waarin ik mij thuis voel. Dus vrij. Een ruimte-tijd waarin al het gedoe van wat en hoe van mij wegvalt, een lach mijn gezicht siert, mijn handen vol zijn. En mijn zenuwen geven mijn bloed vrij baan, zodat warmte mij doorstroomt. Ja Schat, jij bent waarheid, jij bent vrijheid, jij bent liefde. Ja, waarheid is vrijheid en vrijheid is liefde en liefde is waarheid.

 

Wanneer de stormen de stroomspanning ontregelen en wanneer de vorsten de watertoevoer onzeker maken en het is avond en de luiken zijn gesloten, dan ontsteek ik het kaarsje dat amper licht geeft, zodat onze kamer niet zijn contouren verliest terwijl ik de mijne wel.

 

X, kijk, als u op dat niveau wil gaan graven kunnen wij niet garanderen, dat wij ook mee naar boven zullen kunnen krijgen wat wij daar vinden. U heeft het over een niveau waarop zinsbegoocheling de norm is. Het brengt onze medewerkers in verlegenheid wanneer zij voor u staan, met in hun handen iets waarin u schoonheid noch betekenis noch enige andere waarde weet te herkennen, terwijl zij hun leven ervoor op het spel zetten om het u te kunnen tonen. Want denk niet dat zij niet helder genoeg zijn om uw blik te kunnen lezen, als deze ontzet vertelt plakkend in hun zweterige handpalmen niet meer te ontwaren dan een hoopje gruis ontdaan van alle kracht en pracht.

 

Y slaan we over en de J doen we dubbel: Ja jij, Cara Colette.

 

Zwijgend bij jou zijn Schat is ook gewoon zo fijn. Samen de stilte delen. Als ik mij bewust ben van haar, dan is zij bij mij. En is zij bij mij, dan ben ik mij bewust van haar. Wat komt het eerst? Gegeven mijn ervaringen ben ik geneigd te concluderen dat ik doordat ik haar aanwezigheid waarneem mij bewust van haar wordt en niet andersom, dat ik haar aanwezigheid verzin door mij bewust te zijn van haar. Dank je Schat.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten