zaterdag 15 augustus 2020

(1560 woorden) DE DOOD WAART ROND *2001

 

PROLOOG
 
In een bed van schietgebedjes–ranke zuilen, ranke zuilen–ligt zij te woelen, slaapt zij diep.
 
De foetus. In de baarmoeder voelt zij de storm, met een kracht draaiend en zuigend waardoor uit haar schedeltje de hersens gezogen worden. Leeg – op een slierterig restant na, dat het vermogen tot bewegen intact laat. De foetus wordt wakker.
 
De kleuter. Gebukt onder de appelboom ziet zij wormen, hoort zij roddels. Gebukt onder de appelboom plast zij in haar broek. De kleuter krabt zich de schellen van haar ogen, het smeer uit haar oren. Zo alleen is zij, zo alleen, met al die kinderen om haar heen. Zo alleen is zij, zo alleen, met haar versteende tranen.
 
De struikelvoet. Perenstamppot per pond voor kleingeld en een ring. Als sierornament een opgezette bij gezet in uitgebeend bot, min of meer versteend. Keurig de geur van het met tijd gewassen geraamte. De struikelvoet prettig verhuld met hardbevochten geduld.
 
Pollewopje. Rosewit de lucht. Vrolijk de veertjes dwarrelen. Pollewopje plukt het staartje, met vaardige vingers – met vaart, met vaart. Meet je breed Pollewopje, knoop de lintjes losser – knoop de lintjes los.
 
Pollewopje. Zilver geschubd de lucht, gesmeed met koperen lasnaden waarin hier en daar de vuurgloed nog gloeit. Laat je vallen Pollewopje, in dit licht, in dit licht. Draai je mooi, draai je mooier. De sluitertijd is vijfhonderste. Wat minder is dan wat de kogel nodig heeft of het fataalste gif.
 
Op de heide, wat een geluk; het struikelvoetje strekt zich; zij kan springen, rennen en dansen. Op de heide vertier zonder bier. Overvloedig takken snijden. Werd de wiegenvlechtster er maar voor betaald deze techniek nog in de vingers te hebben!
 
Ai waar te kijken, wanneer de lakei van de vrijheid onherroepelijk afgaat op een confrontatie met haar baas.


I
 
O als ik mijn Schat niet had
dan was ik niet, dan was ik niet.
 
1
O wat waren wij wild in die dagen en o wat waren wij jong. Ik kreeg de toekomst die mij toekwam, uitgetekend op rijstpapier en verzegeld met een narrenkap.

Ja, het was tijdens het carnaval dat ik ten val kwam. Het geluid viel weg. Desalniettemin zo ver het oog reikte een uitgelaten mensengebeuren – zonovergoten. Zwaartekracht werd lichtekracht, de lichtekracht deed mij duizelen.

Ik viel dieper dan ik hoog zat, kwam echter zacht op de bodem terecht. Zachter dan op een trampolinemat, hoewel het solide aarde was. Een grote gespierde man nam mij op zijn schouders en alsof ik over al die mensen zweefde vervoerde hij mij naar een barkruk in een leeg café.

De barkeeper lacht naar mij, zonder aanstalten te maken mij van drank te voorzien. Ik laat mijn blik gaan over de verzameling pluche flamingo's, wijs op een kleine paarse. Hij knipt met zijn vingers, waarop deze kleine paarse naar mij toe komt gevlogen. Nu lach ik naar hem. En tegen de flamingo zeg ik 'hallo'. Maar ook uit mijn mond blijkt het geluid te zijn weggevallen.

 

2
De dood waart rond. De bodem wordt betrapt op een grap van winterse makelij. Het vermaak treft simulanten en overige charlatans, terwijl het onder naakte omstandigheden in staat geacht moet worden een dans een glans te geven waarvan zomerinsecten gaan beven, rillen en sidderen.


3
De dood waart rond. De honden zijn vooruit gestuurd. Als een troep ongeregeld lopen ze het fantoom tegemoet. Ze leveren een prachtig plaatje; allemaal zo verschillend, in snelheid echter éen.


4
De dood waart rond. Zoals iedere dood eem gezonde dood. Die het heel goed kan stellen zonder een bleekblonde toeschouwer.


5
Als een geregelde troep hebben de honden het fantoom getroffen. Met éen kolossale beweging hebben ze het op een zij gelegd en als met éen tong likken ze een slijmfilm, waardoor het onzichtbare vorm krijgt – statisch, kleur krijgt – dynamisch.


6
En begraven in de heuvel van de molshopen, zal ik. En spugen etter – groen, geel en blauw; dik stroperig vocht. En een lawine zal met oorverdovend lawaai. En verwaaien en uitzaaien.


II
 
Leg mij in het bed mijn Schat, dat
meegeeft onder mijn lichtste gewicht
waar ik beroofd van mildheid
pril, verstild, naakt
tril – wanneer aangeraakt
door het aroma van jouw mysterie.
 
1
Wat wij kwijt waren, ik heb het gevonden; het lag onder het fauteuiltje met de franjes een beetje onderkoeld te bibberen en te knipperen tegen het schelle ochtendlicht.


2
De dood waart rond. Op de heide de reeën, onbekend met het tuig van de slee. Een beeld van vier lost op in vier beelden van éen; het kruitdamp is te ruiken tot ver in de omtrek.

De dood waart rond. Op de heide het varkentje in schaapskleren, neus in de wind, rennend met de snelheid van de vrijheid. Liever gokkend op het misschot van de jager dan op het zekere mes van de slager.


3
Het oude paard kan nog altijd meer vaart maken dan het jonge ding. Voor mij geen plaats in het zadel – eigenlijk nergens binnen het bereik van de zwiepende staart. De bolle ogen kijken mij aan, vriendelijk. De neusgaten verwijden tot zuigende tunnels. De oorschelpen spits en ondanks het vliegenbrokaat roerloos. Ik voel geen ritme, geen spieren, geen beweging. Ik voel luchtstromen die zich verplaatsen met de snelheid van tien winden.

De ongebaande weg maakt een hoek, daalt dan nogal steil. Aan beide kanten bomen; den tegenover den, linde tegenover linde, iep tegenover iep, berk tegenover berk, enzoverder. Tussen de cipressen blijf ik staan om mijn dorst te lessen. Griezelig hier, alleen zonder dier.

De hoge muur is zeker zes keer mijn lengte hoog, de stenen smetteloos gemetseld, de voegen redeloos recht. Dat het duister mij niet overvalt, zoals gisteren. Dat de grond plasseloos mag blijven. Dat de kiezels gelijk van grootte en gelijkelijk verdeeld mogen zijn. 

Dat de poort waarvoor ik halt zal houden de juiste mag blijken. Dat mijn stem zich loszwemt, de vis tegemoet, onbezorgd groetend 'hallo lieve vriendin, nu ik een leven heb, mag jij er in'


III
 
Neem mij bij de arm mijn Schat, met passieve warmte.
Zonnig de zon, licht in de kleren, en rijden maar.
De bestemming ligt vast – maar in de nevelen.
 
Laat ons een lied aanheffen –
op deze rimpelloze toekomst.
Laat het orkest uitpakken –
 
nu
en spelen maar, dansen maar
tot de blaren zich tot eelt gezongen hebben.
 
Frisse winden vanuit de verte naderen –
maar draaien eerst nog
voordat ze met orkaansterkte de zerken verfraaien.
 
Broos de voelsprieten van de slijmslak –
nerveuze eenkennigheid.
Voort ga ik zonder mijn stem te laten klinken.
 
De adem streelt mijn buik en niet mijn stembanden.
Uit de schemer tussen mijn ogen
dienen zich schema's aan.
 
Waarin plaats is voor jou en jou en jou. Neem plaats,
de drank staat gekoeld, al minder broos de voelsprieten,
steviger ook de schelp.
 
Hulp was in aantocht, was dat niet het bericht?
O al die gezichten die op elkaar lijken –
van veraf en van dichtbij
 
verrijk mij, verrijk mij.
Kruipdieren kruipen altijd,
zwemdieren zwemmen altijd,
 
ligdieren liggen altijd
en rijdieren rijden,
zonder naar links of naar rechts te kijken
 
zonder te wijken voor welk gevaar.
Wanneer zonnigst de zon werpen
hun kortgetrimde staarten reinigende schaduwen.
 
Met hun stalen ogen zijn het dieren
kloppend met mijn hart.
Dit is hoe het begon en dit is zoals het zal eindigen.
 
Dus neem mij bij de arm, mijn Schat,
met passieve warmte.
 
1
Paradijsvarkentjes met op hun schoften merktekentjes, gaaf als onopgegraven fossielen, graven zich in in bloemperkjes; spiegelbeelden met een aardse oorsprong, bestaand bij gratie van een hemels licht. De boodschap die ze brengen is bestemd voor de bruine kip met de oranje snavel, de zus van die welke hier elke ochtend de boel op stelten komt zetten. Laat die kip wegblijven, wij willen haar niet op ons terrein.

En dit geldt evengoed voor die zus van haar, die ooit aangenaam gezelschap was maar onuitstaanbaar geworden is sinds zij zich in de belangstelling weet van de gemerkte varkentjes.

Opgehoepeld dus, jij sterrekip, ga je laven aan het vijvertje in het bloemperkje waar jouw paradijsvriendjes zich ingraven. Laat ons eindelijk met rust. Wij kunnen heel goed zonder jou, wij zullen jou echt niet missen.


2
De dood waart rond. De manische liefjes dansen hun laatste manische dans in de schaduw van de triomffontein. Beter bekend als de spuitgozer, hoewel het water in vijf sierlijke bogen uit de pupillen van een vijfogige vrouw terug in het bassin valt. In nog geen minuut zijn alle omringende banken tot op de leuningen bezet met bezeten toeschouwers, die ritmisch klappen tot de blaren zich tot eelt gezongen hebben.


3
In het belendende perceel confereerden falaffelbakkers. Het tumult was nog maar net begonnen en het liet zich nog niet zien als de geweldexplosie waarin het uiteindelijk zou culmineren. 'Jé já jó dat doe je zó' was de kreet die steeds grimmiger de boel opjutte, tot alleen nog jó en zó te horen waren, maar dan ook uit alle hoeken van het gebouw en uit de meest uiteenlopende kelen. Ik had mijn citroenvismasker op, dus ik voelde geen enkele gêne om met mijn verzoek te komen. Dat het dermate enthousiast ontvangen zou worden had ik echter niet verwacht. 'Vorige week leek het een kanarie te worden, deze week blijkt het een citroenvis, maar welkom, evengoed welkom. Was het een donsduif geweest, een albino, ook, evengoed welkom' waren de woorden van ontvangst, die door de rest van het gezelschap met een luid 'hoera!' werden bekrachtigd.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten